Pagina's

dinsdag 5 februari 2019

Geschiedenis van het kajakzeilen

Inuït met Groenlandkajak met zeiltje, vermoedelijk jaren twintig. Met doorgestoken mastje en een enorme twist in het zeiltje.

De geschiedenis van kajakzeilen is pas bekend vanaf 1865, toen de Schot John MacGregor als eerste een zeilkano ontwierp waar hij naam en faam mee behaalde. Waarschijnlijk hebben mensen in de eeuwen daarvoor vast ook eens een zeiltje gezet op hun uitgeholde boomstam. Misschien waren het wel de inuïts die dat al eens probeerden met hun kajaks van houten frames bespannen met zeehondenhuid.


Hoe dan ook, MacGregor – ook bekend als ‘Rob Roy’- ging officieel met de eer strijken toen hij met zijn zeilkano een reis van duizend mijl maakte over de rivieren in Europa. Zijn reis, meer cultureel van aard dan puur een fysieke topprestatie, leverde veel publiciteit op en sprak zeer tot de verbeelding van het Victoriaanse publiek in Groot-Brittanië. Het gaf kort daarna de aanzet tot een hoos aan verschillende types zeilkano’s.



Het waren eigenlijk wat lompe, niet zeewaardige dingen. Tot wel een meter breed en vrijwel altijd met een enorme kuip en van houten planken gebouwd met kopspijkers. We spreken daarom van kano’s. Niet van kajaks die een klein kuipje hebben dat waterdicht is afgesloten met een spatzeil, zoals de kajaks van de inuïts. In feite waren het open zeilboten, maar dan wat aan de smalle kant. Ook het tuig leek erg op dat van een gewone zeilboot uit die tijd: een gaffelzeil met meestal voorop een fok.



In de jaren twintig van de vorige eeuw verschenen de eerste kano’s met een demontabel teakhouten frame bespannen met canvas dat was afgedicht met een rubber laagje. Deze bouwwijze leek nog het meest op de oorspronkelijk kajaks van de inuïts, maar dan nog steeds met een enorme kuip. In 1934 waren het Alastair Dunnett en Seumas Adam (‘The Canoe boys’) die met zo’n opvouwbare Lochaber kano langs de Schotse westkust peddelden, met zeiltje.



Inmiddels was het kanozeilen ook populair op het vasteland van Europa. In Duitsland verscheen de Klepper, ook van teakhouten latten en rubbercanvas of geölied doek. Al of niet met een zeil. Het was de Klepper die een nieuwe generatie durfals in staat stelde tot krankzinnige reizen.


In 1928 bijvoorbeeld peddelzeilde de Duitser Franz Romer als eerste de Atlantische Oceaan over naar de Maagdeneilanden in een Klepper met razeil. 



Hij heeft het wel gehaald maar kwam om tijdens een vervolgreis naar New York. Vermoedelijk in een zware orkaan. Zijn lichaam en boot zijn nooit teruggevonden. 

De Duitser Oskar Speck gebruikte ook een vouwkano met rubbercanvas voor zijn krankzinnige reis van 30.000 zeemijl naar Australië van 1932 tot 1939. Met zijn gaffeltuigje en fok haalde hij meestal een dubbele snelheid vergeleken met gewoon peddelen, zo verklaarde hij later. Zijn record staat nog altijd en zal waarschijnlijk nooit worden verbroken. Althans niet door iemand alleen maar op zoek naar werk, zonder een cent op zak, totaal ongetraind en geheel onvoorbereid zoals Speck het deed. 

En natuurlijk kennen we de circa 1700 Engelandvaarders. Nederlanders die in de oorlogsjaren via Zweden of Frankrijk, Spanje en Portugal vluchtten naar Engeland om van daaruit te vechten tegen de Duitsers. De eersten vluchtten al in juni 1940, met een twaalfvoetsjol over de Noordzee. Door hen kwam de naam ‘Engelandvaarders’ in zwang, hoewel daarna de meesten heimelijk over land reisden. Gedurende de oorlog kozen 32 mannen voor een overtocht per houten kano met zeiltje of zeilende vouwkano van geölied canvas (model Klepper).

Engelandvaarders in kano, type Klepper, met gaffeltuig en zwaardjes. Bron: Tweedewereldoorlog.nl


Van de 32 Nederlandse durfals bereikten slechts 8 mannen de overkant, onder wie de gebroeders Peteri na 56 uur peddelen. De rest verdronk jammerlijk of werd onderweg opgevist door Duitse patrouillevaartuigen, naar concentratiekampen in Duitsland gestuurd of geëxecuteerd. Een vaarder werd op het Nederlandse strand teruggevonden met een strop om zijn nek.

Vrijwel geen van de mannen had enige ervaring met kano’s, laat staan kanoën op zee. Uit latere getuigenissen van de overlevers, opgetekend in onder meer het boekje ‘Ik wil nooit meer oorlog’ van Linda Hoebeke en Conny Rijken, blijkt hoe knullig het soms ging. Engelandvaarder Ed Barten bijvoorbeeld waagt eerst een poging met een motorbootje vanuit de haven van Vlaardingen. In het pikkedonker en in dikke mist loopt hij al vast in de haven en uiteindelijk botst zijn bootje met medereizigers tegen de kont van een gemeerd zeeschip met Duitsers. Barten springt geruisloos overboord en loopt uiteindelijk met een nat pak terug naar Rotterdam. Zijn vier medereizigers slagen erin verder te varen, hoewel zij te laat zijn voor de ebstroom de Waterweg uit. Allen zijn omgekomen op zee. Hun lichamen en boot zijn nooit teruggevonden. Een van hen, Chris van Blitterswijk, heeft wel een fles met hartverscheurend briefje achtergelaten dat een strandvoogd van het Duitse Waddeneiland Süderoog twee maanden later aantrof. 

‘Lieve ouders, broers zusters,

Als ge deze brief ontvangt ben ik niet meer. Ik hoop dat ge me vergeven hebt dat ik woensdag 19 november verdween. Ik ging in de hoop Engeland te bereiken maar sindsdien zwerven wij nog steeds op zee. Wij zijn met z’n vieren, Henk 30 jaar, Koos 25 jaar, Cas 19 jaar en ik 18. We leven van een klein stukje brood en 2 wijnglaasjes water per dag. We hebben al die tijd drie vliegtuigen gezien en voor de rest niet anders dan lucht water en meeuwen…

Vaarwel lieve Ouders Broers en Zusters van harte gegroet van Uw zoon Chris’ 

Ed Barten probeert het na zijn mislukte Vlaardingse avontuur nog eens, op een bitterkoude nacht van 18 graden onder nul vanuit Zandvoort, in een step-raceboot met buitenboordmotortje met noodzeil. Hij roeit met een maat in het donker door de branding om geen motorlawaai te maken. Ze hadden het starten vaak succesvol geoefend, maar buitengaats wil het motortje niet starten door de extreme kou. Verwarmen met een vuurtje durven ze niet uit angst te worden gezien. Gelukkig staat er een oostenwind waardoor ze met zeil een flink eind de zee op kunnen om alsnog ongezien het vuurtje te maken. Zover komt het niet. Opeens gaat er een schok door de boot: ze zitten al weer in de branding en lopen vast, een flink eind naast Zandvoort midden in militair gebied. Navigeren viel kennelijk niet mee in het donker. Weer weet Barten met een nat pak en een bevroren voet te ontsnappen, dwars door Duitse stellingen. Uiteindelijk kiest hij voor een voettocht via Spanje om daar over te varen met een normaal schip naar Engeland.

De bevrijding markeert het einde van de glorieuze zeilkanotochten. Een laatste krachtinspanning levert de Duitse arts Hannes Lindemann in de jaren vijftig met een tweemast zeilende Klepper van de Canarische Eilanden naar St. Maarten (3000 mijl). 

Hannes Lindemann, met gaffelzeil en twee razeiltjes. Hij peddelde nauwelijks tijdens zijn grote oversteek.
Het was hem als arts vooral te doen om de ervaring van de lichamelijke uitputting. Hoe lang kan een mens alleen overleven op zee? De Noor Thor Heyerdahl ging hem op dit gebied voor met zijn vlot de Kon-Tiki in 1947. Ook hij wilde weten of mensen fysiek ooit in staat zijn geweest de Stille Oceaan over te steken. Lindemann deed aan ‘autogenische’ training waarbij hij zijn onderbewuste programmeerde met mantra’s als ‘Je haalt het’ en ‘Blijf naar het westen gaan’. Verder zette hij vraagtekens bij mede-pionier Alain Bombard die beweerde tijdens een oceaanoversteek uitsluitend te hebben geleefd van verse vis en zeewater. Inmiddels zijn artsen het hierover eens. Dagenlang zeewater drinken, ook met kleine slokjes, betekent een wisse dood.

Ondanks alle heroïek raakt de zeilkano na de oorlog minder populair, waarschijnlijk door de economische vooruitgang. Het grote publiek richt zich meer op echte zeilboten, jachtjes of motorkruisertjes die massaal in productie komen. Slechts af en toe is er nog wel eens een zeilende Klepper te ontwaren op de Hollandse plassen.

Pas begin jaren negentig komt de zeilkano weer terug. En hoe! Maar dit keer parallel aan de komst van echte, moderne zeekajaks voor expedities. Wel weer afgeleid van de vaartuigen van de inuïts maar dan van nieuwe materialen zoals polyester versterkt met carbon of kevlar en van polypropyleen waar ook huisvuilzakken van zijn gemaakt. Deze moderne kajaks hebben meer ruimte voor bagage en betere vaareigenschappen in grote golven. Volgens sommigen beter dan de originele kajaks van de inuïts die zich voor de jacht zelden op grote golven zouden hebben gewaagd.

De zeewaardige expeditiekajaks nodigen als het ware uit om er ook een zeiltje op te zetten om nog grotere afstanden te kunnen varen. De zeiltjes lijken echter niet meer op het traditionele gaffeltuig. Het waren de Australische en Nieuw-Zeelandse kajakvaarders die vanaf de jaren negentig experimenteerden met superlichte sprietzeiltjes. Die waren speciaal ontworpen voor het zeekajakvaren, met name voor de grote oversteken op de Tasmanzee.  We spreken daarom ook wel van peddelzeilen omdat het zeilen en peddelen onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, in tegenstelling tot de vroeger zeilkano’s waarbij de juiste peddeltechniek minder belangrijk was als de zeilen opstonden. Bovendien waren de zeilkano’s een stuk breder en vaak voorzien van extra drijvers langs de boorden, zoals de Klepperboot van Franz Romer die had in 1928.

De eerste moderne kajakzeiltjes in de jaren negentig hadden een mast die vlak voor de kuip stond en in een pijp doorliep tot op de bodem. De vaarder kon het mastje eenvoudig plaatsen en weer omhoogtrekken, het zeiltje opvouwen en vastbinden aan dek als het zeilen niet meer ging.

Eind jaren negentig verhuisde de mast verder naar voren, buiten het bereik van de vaarder en zijn peddelbewegingen. Er kwam een flexibel mastvoetje op dek zoals we dat nog steeds kennen waardoor de vaarder het zeiltje met verstagingen kon optrekken en strijken vanuit de kuip. Opeens bleek het ook mogelijk om te rollen door de mast onder water eerst snel los te gooien. Dit leek dus in de verste verten niet meer op een zeilkano.

De meest gevestigde peddelzeiler is de Australiër Mick McRobb die helaas te vroeg overleed aan kanker in 2016. Zijn firma Flat Earth, vernoemd naar het gelijknamige genootschap dat gelooft in een platte aarde, weerspiegelt de eenvoud van alles zoals dat ook uit het zeiltje spreekt. De aarde mag dan een bol zijn, maar vanuit een zeilkajak ziet alles er toch plat uit. McRobb geloofde heilig in dergelijke eenvoud en weigerde consequent zijn zeiltjes wat scherper te snijden voor meer snelheid. Hij wilde dat iedereen, ook beginners, ermee overweg kon en niet in een ranke zeekajak zou kapseizen bij de eerste de beste windstoot.

Mick McRobb

Een tweede belangrijke ontwerper is de Amerikaan Patrick Forrester. Zijn Falcon-zeiltjes zijn sneller maar daardoor iets minder vergevingsgezind.

Verder is er een explosie aan allerlei andere zeiltjes maar die kunnen alleen voor de wind uit, hebben outriggers nodig omdat ze in wezen te groot zijn of zwaarden met een ongelooflijke bende aan dek tot gevolg. Laat staan dat je ermee kunt rollen. Deze zeilen gaan geen fusie aan met een kajak en lijken in wezen een voortzetting van de oude, wat plompe zeilkano’s maar dan in een modern jasje. Het blijven meer zeilboten dan kajaks.

De moderne, werkelijk gefuseerde zeilkajak wordt steeds populairder in Australië, Noord-Amerika en Europa. Nederland blijft nogal achter met voor zover bekend slechts drie peddelzeilers.

Tot zo ver de geschiedenis van bijna anderhalve eeuw kajakzeilen. Een geschiedenis die werd gedomineerd door mysterieuze vaarders. Geheimzinnige kerels, gebiologeerd door een idee en de bruuske uitvoering daarvan, net als de grote alpinisten van vroeger.
De vaarders van nu zullen nooit en te nimmer de prestaties van hun glorieuze voorgangers kunnen evenaren. Zelfs niet degenen die in hun voetsporen treden door een oude tocht te herhalen. Wel maken sommigen nog steeds grote eigen tochten, een enkele keer met de dood tot gevolg, net als toen. Maar de omstandigheden van vroeger - zonder communicatie, betrouwbare weersverwachtingen en nauwelijks kajakervaring noch een gedegen voorbereiding - zijn nu eenmaal niet meer te herhalen. De moderne peddelzeilers zullen hun eigen geschiedenis moeten schrijven.  

maandag 4 februari 2019

Installeren kajakzeil... moet ik gaten boren?

Hoe installeer je een kajakzeil van bijvoorbeeld Flat Earth of Falcon? Lees de gebruiksaanwijzing die de fabrikanten meeleveren. Maar dan nog zijn er vragen. Allereerst de vraag of je gaten moet boren in je boot. Het antwoord is 'ja', maar soms kun je volstaan met maar een paar gaatjes. 
Polyester boten zijn in het voordeel want een gaatje weer dichtmaken is vrij eenvoudig met epoxy of polyestershars en een lapje glasweefsel aan de binnenkant met topcoat aan de buitenkant. Met polyethyleen boten heb ik geen ervaring, maar er schijnen vulmiddelen te bestaan voor het dichtmaken van gaatjes in plastic boten mocht je ooit het kajakzeilen willen opgeven of je boot willen verkopen aan een niet-kajakzeiler.

Een interessante weblog van Douglas Wilcox geeft al wat meer inzicht. Zie http://seakayakphoto.blogspot.com/2010/07/flat-earth-kayak-sails-fitting.html


Positie mast
Cruciaal is de vraag waar je de mast plaatst. Niet zozeer voor de zeileigenschappen want de positie van het zeiltje is voor het zeilen niet zo belangrijk omdat er geen 'balans' bestaat op een zeilkajak. Er is immers geen kiel die tegendruk geeft aan de mast. Het oploeven of afvallen wordt veel meer bepaald door de kajak zelf, met name door de vraag hoeveel wind de kont en de boeg vangen. Dit heeft dus niks met zeilen te maken.
Wel is de positie van de mast belangrijk als het gaat om je peddelbewegingen. Heb je genoeg ruimte voor je peddel als het zeiltje behoorlijk is ingetrokken voor een aan-de-windse koers? En ligt het zeiltje in opgeborgen toestand niet te veel in de weg naast je kuip? In het algemeen geldt: hoe verder  naar voren de mast, hoe beter alles past. Goh, ik moet dichter worden.
Er is echter een beperking in het naar voren plaatsen van de mast. Als het dek te smal wordt - zeg ongeveer smaller dan 17 centimeter, dan zullen de zijstagen te steil omhoog lopen naar de mast. De krachten van de wind op de bevestiging van de stagen worden dan enorm. Bij erg steile stagen zal de zijwaartse kracht vooral ook ombuigen in een neerwaartse kracht. Dan bestaat het gevaar dat het mastvoetjes door het dek wordt gedrukt. De oplossing is dan een dekversteviging met extra polyester-glasmat onder het dek of een stutje tussen het dek en de bodem van de boot. 

Sweetspot
Liever plaats je de mast wat naar achteren. Bij veel boten bevindt de 'sweetspot' zich net voorbij het voorste luik, soms zelfs voorbij het ingebouwde kompas of er net tussenin. Het permanente mastplaatje dat op je dek moet, is maar heel klein dus vaak past het daar wel.
Een andere let-op is de vraag waar zich al dekfittingen bevinden om de twee zijstagen aan vast te maken. Deze stagen horen niet precies haaks op het mastje te staan maar een centimeter of drie verder naar achteren. Immers, je wilt zeker weten dat de stagen de ruimte hebben om mee te bewegen naar beneden als je het mastje neerlaat. Het zou fijn zijn als er al dekfittingen zijn op die plek. Misschien moet je de positie van de mast op die plek afstemmen.
Als de dekfittingen veel verder weg zitten, zit er niets anders op dan aparte oogjes te maken. Voordeel is dan wel dat je meteen zo'n oogje helemaal aan de zijkant van de boot kunt bevestigen voor maximale spreiding van de stagen. Het moeten dan wel zo plat en zacht mogelijke oogjes zijn om te voorkomen dat andere kajakkers hun boot eraan open kunnen halen. Daar maak je geen vrienden mee! 

Ik heb hiervoor een D-ring gebruikt in een platte, afgeronde nylon houder met een boutje door de boot. Aan de achterkant zit nog een carrosseriering om de druk te verdelen. De gatdoorvoer is afgedicht met Sykaflex. Je kunt de D-ringen gebruiken voor de bevestiging van de zijstagen en de achterstag.  
Deze ringen zijn gek genoeg nergens te koop in Nederland. Je kunt ze allen bestellen via internet  op Britse of Australische websites. Zoek op Google Afbeeldingen naar 'nylon D-rings'. Andere D-ringen zijn te scherp (van hoekig metaal) of te dik waardoor andere kajakkers die langszij komen hun boot eraan kunnen openhalen.  


Foto Berend Schilder


Helemaal super de luxe is natuurlijk een dynema-touwtje dat rechtstreeks door twee gaatjes gaat. Aan de achterkant zit ook een carrossiering met een knoopje in het touw. Daar overheen plaats je een glasmatje en lamineer je de boel dicht om het waterdicht te maken.  Het oogt erg mooi, veroorzaakt absoluut geen krassen bij andere boten maar ja, je moet wel twee gaatjes boren in plaats van één.


Foto Douglas Wilcox



Een alternatief waar je helemaal geen gaatjes hoeft te boren is een zelfgemaakte plastic grondplaat waar het hele zaakje op staat: het mastvoetje en zelf geboorde gaten in het plastic om de stagen doorheen te halen. Deze plaat zit vast op de boot met zuignappen, maar je kunt ook volstaan met twee spanbandjes. Voordeel van deze constructie is dat je het complete zeiltje zeer eenvoudig op iedere kajak kan monteren. Nadeel is dat deze constructie niet zo mooi oogt en iets meer oplettendheid vereist. De boel mag niet gaan verschuiven.



Foto Ferry Arts
Tot zover de tricky part van een kajakzeiltje monteren. De rest is kinderspel. De voorstag kan je voorlopig door je toggletouwtje halen op de boeg. Een definitieve oplossing is een mini-katrolletje dat in iedere watersportzaak wel te koop is, onder andere van het merk Ronstan. De achterstag kan op ieder punt wel worden vastgezet. Desnoods span je een apart touwtje overdwars tussen je deklijnen waar de achterstag dan op aangrijpt. 
Hetzelfde kun je doen met de schootlijn waar het zeiltje aan vast zit. Deze kun je laten aangrijpen op een dwars lijntje tussen je deklijnen, al of niet met een heen en weer schuivend katrolletje waar de schootlijn doorheen gaat. Een wieltje op de dekfitting in het midden van het dek werkt ook prima. Let wel op dat de schootlijn min of meer recht naar beneden loopt als het zeiltje helemaal ingetrokken staat. Hoe schuiner de schootlijn staat, des te meer zal de giek van het zeiltje omhoog worden getrokken door de wind. Het zeil komt dan te bol te staan, vooral bij een aan-de-windse koers. De schootlijn is dus ook bedoeld om de giek zo goed mogelijk naar beneden te trekken.

Schootklemmetjes
Tot slot zou je nog twee schootklemmetjes voor de kuip moeten monteren (oeps, nog meer gaatjes boren) om de voorstag en de schootlijn van het zeil op vast te zetten. Wie dit niet wil, kan volstaan met het beleggen van deze twee lijnen op de deklijnen, vlak voor een dekfitting om doorglijden te voorkomen. Wel is het raadzaam om de schoot te beleggen met een slipsteekje zodat je hem direct los kan trekken. En daarna opnieuw vastzetten. Wel een beetje gedoe, zeker met stevige wind. Waarschijnlijk wil je na een dagje peddelzeilen alsnog schootklemmen monteren.

Knutselen
Al met al is er genoeg ruimte om te knutselen. De krachten op het zeil en de lijnen vallen reuze mee. Als het tien kilo is, is het al veel. Een uitzondering zijn de twee zijstagen. De bevestiging aan het dek van deze stagen krijgt het bij harde zijwind flink te verduren omdat de stagen nu eenmaal schuin omhoog lopen en dus niet dwars op de mast staan. Maar de bovengenoemde methodes van bevestigen moeten voldoende zijn. En let op dat het dek sterk genoeg is om de neerwaartse kracht van de mast te dragen. Een stutje onder het dek is geen overbodige luxe!

Meer info op YouTube. 
Voor het Falcon-zeil zie https://youtu.be/2i8_EEExqNg.
Voor Flat Earth zoek op 'how to install a Flat Earth kayak sail'.

Nog een laatste tip: gebruik alleen roestvaststalen boutjes, moeren en carrossieringen. 







  

vrijdag 1 februari 2019

Angst om te peddelzeilen

Ja, ik geef het toe... Een zeiltje op een kajak met een stevige wind is de eerste keer best angstig. Misschien helpt het om te weten dat ik zelf geen durfal ben, matig kan kajakken en niet al te veel zeilervaring heb, of in ieder de wijsheid niet in pacht heb. Ik zal daarom mijn angstmomenten beschrijven, in de hoop dat jij daar wat aan hebt. Te meer daar ik nog nooit ben omgeslagen met een zeiltje en na afloop altijd dacht: 'Nou, was dat nou zo beangstigend?' Wel ben ik twee keer zo geschrokken dat mijn benen even verlamden door een stoot melkzuur of adrenaline, maar dat ik beide keren heel goed kon achterhalen waarom het bijna mis ging. Een typisch geval van eigen schuld, dikke bult. 

Niet lekker
In 2015 zette ik mijn eerste zeiltje op mijn toenmalige Dawn Treader. Een smalle boot van 52 centimeter met flinke wiebeling door de diepe V-vorm. Eigenlijk voelde ik mij sowieso niet lekker in die boot. Maar ja, je hoort verhalen over de optimale balans, de golven die juist op een smalle kajak minder grip hebben en het geraffineerde ontwerp van de Dawn Treader die vooral voor grote vaarders met lange benen heel geschikt is. Allemaal waar, zeker ook dat de golven soms inderdaad geen grip op de boot leken te hebben. Toch voelde ik me als beginnende (zee)kajakker niet altijd prettig. Soms sloeg ik juist bijna om op een vlakke zee met een onzichtbare deining. 


Ik in mijn Dawn Treader, bij de haven van Stellendam. Sommige leden van mijn kanoclub vonden het 'geen gezicht', zo'n grote vent in zo'n smalle boot. 
Evengoed besloot ik een zeiltje te zetten omdat ik ook wist dat de Dawn Treader strak op koers blijft. Juist om die reden had ik hem gekocht voor 300 euro, als mijn eerste kajak. Een excellente zeiler! En dat was ook zo. Door de lange waterlijn zonder rocker en de extreem diepe V-vorm was die boot niet opzij te krijgen. Een rondje draaien duurde ongeveer drie dagen, maar rondjes draaien is niet wat een peddelzeiler vaak doet dus vooruit met de geit. 
Ik begon voorzichtig en met knikkende knieën op een lekker warme, zomerse Kralingse Plas in Rotterdam met windkracht twee, dicht bij de kant. Dat viel mee. Daarna volgde ik de weerberichten om mijn grens geleidelijk te verleggen. De volgende keer woei het kracht drie en ervaarde ik voor het eerst de sensatie van kajakzeilen. Het ging allemaal piano aan, maar toen al sloeg de gps uit tot zo'n acht kilometer per uur met een heel licht peddeltje erbij. 
Op een gegeven moment kwam windkracht vier aan de beurt. Na een schietgebedje stoof ik al aardig over de plas. Even had ik mijn eerste schrikmoment toen ik zo dom was om met de rug in windkracht vier mijn Flat Earth-zeiltje op te gooien. Dat moet je dus bij voorkeur doen met de wind in je gezicht. Mijn schoot van het zeiltje sloeg halverwege vast in het klemmetje waardoor het zeil niet meteen helemaal uitvierde. Voor de wind vloog ik vooruit met het zeil nog half 'dicht'. Op de een of andere manier geeft dat enorme hellingkrachten naar links en rechts. Mijn spatzeil maakte even kennis met het water maar het liep net goed af.

Vertrouwen
Geleidelijk kreeg ik meer zelfvertrouwen. Een Flat Earth-zeiltje is erg vergevingsgezind, wat wil zeggen dat harde wind al snel naar boven spiraalt en verdwijnt via de bovenkant van het zeil. Er blijft echter genoeg wind over om flink gang te maken. Ik merkte bij deze wind ook dat de boot verdraaid goed vast in het water ligt. Door een klein beetje uit te leunen compenseer je de druk in het zeil waardoor de boot gevangen blijft tussen twee krachten, ongeacht de golven. Dat gaf nog meer vertrouwen.
Zomer 2018 kwam de vuurproef. Ik zou van Holwerd naar Ameland oversteken en weer terug, inmiddels in mijn bredere Capella high volume. Mijn eerste echte zee-oversteek en dan meteen met het zeiltje. De spanning was groot, maar het verliep allemaal voorspoedig. Op de heenweg windkracht drie-vier met matige golven, overwegend halve wind. Ik heb misschien twintig peddelslagen gemaakt. De rest van de tocht nam ik het er eens lekker van. Heerlijk was dat. De terugweg was bijna windstil dus hing het zeiltje erbij als een oude lap.
Diezelfde zomer volgde Middelharnis-Hellevoetsluis met de wind schuin van achteren. Ik klokte gemiddeld 12 kilometer per uur en moest in Hellevoetsluis een half uur wachten op de groep. Boze opmerkingen over de veiligheid, schuldbesef, nooit meer zo dom vooruit varen! Maar ja, het ging zo lekker. Toch heb ik me voorgenomen dan maar cirkeltjes te draaien om de groep heen. Vandaar dat ik hoop op meer kajakzeilers...

Grote schrik
De grote schrik kwam eind 2018. Ik had een zeiltje besteld bij Falcon Sails in Amerika. Dit zeil is iets groter (1 vierkante meter, Flat Earth is 0.8 vierkant meter), maar vooral meer gesneden als een vliegtuigvleugel en daardoor sneller en minder vergevingsgezind. Daar kwam ik al gauw achter op de Kralingse Plas met ijskoud water. Ik vaarde met windkracht vier lekker schuin tegen de wind met behoorlijk ingetrokken zeil. Plotseling kwam er een windstoot uit een iets andere richting, namelijk pal in de zij. En plop, daar ging ik toch bijna om, zeg. Wild scullend aan de lijzijde - daar waar de wind van je afwaait - probeerde ik wanhopig overeind te blijven wat maar net lukte. Je moet natuurlijk uitleunen aan de kant waar de wind naar je toewaait - de loefzijde - maar het ging zo snel dat je in een reflex toch aan de lijzijde gaat steunen. Helaas duurt een windstoot veel langer dan een vervelende golf dus een steun levert maar kort soelaas. De rest van de tijd moet je dan uitzingen door te scullen. 
Gelukkig begon de boot al vooruit racend uit zichzelf op te loeven naar de wind waardoor de druk in het zeil weer afnam. Toch had ik een halve minuut last van lamme benen, als gevolg van toeschietend melkzuur of adrenaline. Ik scheet even zeven kleuren!

Eenmaal aan de kant besefte ik wat er was gebeurd. Ik had het zeil te veel ingehaald. 


Aan de wind (links) gaat plotseling over in een rukwind op halve wind (rechts). Het zeiltje staat nu veel te strak aangetrokken. Kapseis!

Moraal van het verhaal: als je aan de wind vaart - schuin tegen de wind in - wees dan beducht op het draaien van de wind naar opzij. Om ellende te voorkomen trek je het zeil niet verder in dan strikt noodzakelijk. Dat willen zeggen: kijk of er bobbels in het zeil verschijnen direct achter de mast ten teken dat er te veel wind achter het zeil kruipt met krachtverlies als gevolg. Trek vervolgens de schoot een ietsepietsje aan tot de bobbels net weg zijn. Wat ook helpt is het iets intrekken van de scheg. Hierdoor zal de boot iets eerder geneigd zijn op te loeven. Mocht de wind plotseling van opzij komen, dan zal de kajak al snel in de wind draaien waardoor de helling afneemt. Nadeel is alleen dat je wat vaker moet bijsturen met je peddel om ongewild oploeven te stoppen. 

Ben je bewust op halve wind aan het varen, dat geldt hetzelfde. Ook dan kan je bij vlagerige wind de scheg iets meer optrekken dan je normaal zou doen. Ook dan loeft de kajak op bij harde windstoten.
Mocht de wind ook iets draaien, dan is er op deze koers niks aan de hand. Als de wind plotseling meer van voren komt, dan zal het zeil gaan klapperen en niets meer doen. Als de wind opeens schuin van achteren komt, ontstaat te volgende situatie. 



Zoals je ziet zal de wind schuin van achteren bij een zeiltje dat op halve wind staat afgesteld de boot voornamelijk harder naar voren duwen. Niet opzij.

Maar goed, ik was erg gespannen toen ik weer met mijn Falcon-zeiltje de plas op ging. Het waaide weer stevig, was bitterkoud en ik zag mezelf al kopje onder gaan. Ik was zo gespannen dat ik een kajakmaatje vroeg om met zijn boeg langszij te komen. Ik pakte zijn boeg vast en zo gingen we samen een stuk voor de wind uit. Dat ging prima, maar verderop zou de oever ons dwingen linksaf te slaan, op halve wind. Ik had nu echter bedacht om het zeiltje zover uit te zetten dat er net geen bobbels ontstonden. En de scheg iets meer ingetrokken. En toen, in de draai naar links, durfde ik mijn maatje los te laten. Hij verdween al gauw naar achteren. Ik durfde niet te peddelen maar het ging goed! Dat is dus de truc. Je zeiltje maximaal uitvieren. Pfff... Na vierhonderd meter kwam weer de oever in beeld en draaide ik tegen de wind in om te wachten op mijn maatje. Die was een aardig eindje weg. Ik besteedde de tijd aan het neerhalen en opbergen van het Falcon-zeil. Het was wel genoeg zo. Komende zomer staat Harlingen-Terschelling op het programma met het Falcon-zeil. Misschien zonder schietgebedje.


Het Falcon-zeil op mijn Capella high volume

















Zwaarden: doodzonde!

Nog even een persoonlijke overdenking wat betreft zwaarden. Je weet wel, die neerlaatbare dingen om te voorkomen dat een zeilboot zijwaarts wegdrijft in de wind. Dit heet 'verlijeren'. Ik liet eens een zeer ervaren collega-kajakker in mijn oude Dawn Treader zeekajak met een Flat Earth-zeiltje. Er stond een heel licht briesje. Het eerste dat hij deed was een peddelblad diep in het water steken naast de boot. Bij wijze van zwaard. Het idee dat alles wat zeilt een zwaard, kiel of midzwaard nodig heeft is hardnekkig. Dit idee komt natuurlijk uit de zeilerswereld.

Lang verhaal kort: als jouw kajak prima rechtuit vaart en met zijwind weinig verlijert - al of niet met een beetje scheg - zal hij ook weinig verlijeren met een goed kajakzeiltje. De reden is dat een kajak in wezen al van zichzelf een lange scheg is. Laat iemand jouw kajak vooruit slepen en je weet dat slechts een kajakker al voldoende is. Laat nu iemand jouw kajak zijwaarts slepen en je zal merken dat je minstens vier sterke mensen nodig hebt om een beetje zijwaartse snelheid te krijgen. Hetzelfde effect heb je met een plank van vijf meter die op z'n kant in het water ligt. Die is eenvoudig vooruit te duwen maar onmogelijk opzij.
Overigens, de zijwaartse weerstand is het zwakst als de plank (of de kajak) bijna stilligt. Duw je de plank vooruit met 10 kilometer per uur, dan zal deze plank behoorlijk veel meer weerstand geven om nog opzij te glijden. Dus als je met je zeiltje meepeddelt, zal het verlijeren snel verminderen.

De naakte romp van een zeiljacht zonder zeilen en kiel, zwaarden of midzwaard is veel gemakkelijker opzij te slepen. De romp onder water ziet er dan ook heel anders uit. De overgang van de zijkant naar de bodem ( de 'kimmen') is heel rond, niet zo hoekig als bij een kajak. Dat geeft al aardig wat zijwaartse drift. En van boven gezien lijkt een zeiljacht op een soort sigaar, een ei of een druppelvorm. Allemaal bedoeld om zo soepel mogelijk vooruit te komen, maar een regelrecht drama als het gaat om verlijeren. Bovendien zijn de meeste jachten en open zeilboten zeer breed en naar verhouding volstrekt niet lang genoeg om enige zijwaartse weerstand in het water te veroorzaken. Zonder kiel of zwaarden zou een zeilschip net zo hard opzij gaan als vooruit. En met de wind in de rug als een gek om zijn eigen as rondtollen. 
Een zeilschip zou net als een kajak minstens tien keer langer moeten zijn dan zijn eigen breedte om enigszins te kunnen varen zonder zwaarden of kiel. Een jacht van vier meter breed zou dan dus veertig meter lang moeten zijn. Zulke zeilschepen bestaan niet. En het zou ook een hoekige onderkant moeten hebben. En een stuk minder zeil moeten voeren, net als bij een zeilende kajak met maar een vierkante meter zeil. Kortom, zeilschepen kunnen absoluut niet zonder kiel of zwaarden. Vandaar de hardnekkige misvatting bij ervaren zeilers dat een zeilende kajak ook zoiets nodig heeft.

Let wel, we hebben het hier over ranke kajaks van minimaal vijf meter lang. Het liefst met een knikspant, zoals de Explorer van Nigel Dennis voor nog meer zijdelingse weerstand of een kajak met een diepe v-vorm zoals de Dawn Treader waar ik zelf drie jaar mee heb gepeddelzeild. Mijn hemel, dat ding was met nog geen tien paarden van een rechte koers af te houden. Zag ik een boei in de verte waar ik naartoe wilde, dan hoefde ik daar alleen maar recht op af te peddelzeilen om zeker te weten dat ik er uiteindelijk tegenaan zou botsen. Ook zonder peddelen dus puur zeilend gebeurde dat.
Met mijn huidige Capella met redelijk ronde kimmen en zeer flauwe V-vorm, moet ik af en toe even een boogslag geven om niet te veel af te drijven, maar ik heb absoluut geen zwaarden nodig. Het is wel opmerkelijk dat mijn huidige boot slechts vier centimeter breder is dan de Dawn Treader en zo'n vijf centimeter minder diepe V-vorm heeft en dat zoiets al verschil oplevert. Maar goed, ik heb het er graag voor over want de Capella is voor mijn lichaam veel stabieler dan de Dawn Treader. Een wiebelboot die volgens velen bij mijn club totaal ongeschikt was voor mijn brede zware lijf. Maar hij peddelzeilde fantastisch! 
Anders is dat misschien met zeer brede, korte kajaks. Om maar te zwijgen van de opblaasbare speelbootjes, de brede, korte viskajaks en de o zo stabiele wildwaterachtige speelbootjes. Ik denk dat die minder strak vooruit gaan onder zeil. 

Er zijn natuurlijk nog tal van andere redenen om vooral geen zwaarden te gebruiken. Zoiets geeft een enorme bende aan dek, een hoop gedoe om telkens te monteren en demonteren. Bovendien is het idee van peddelzeilen dat het simpel blijft. Je moet een zeiltje eenvoudig kunnen opbergen en weer opzetten. Met al die extra troep aan dek is dat een stuk minder eenvoudig. En ik zie niet hoe je met alle beugels, boutjes en moeren, extra bedieningslijnen en weet-ik-niet-wat-nog-meer kunt rollen met zo'n kajak. De extra rolweerstand met twee zwaarden die vrolijk omhoog of omlaag steken zal niet misselijk zijn. Nog afgezien van de boze opmerkingen van redders die langszij komen om jou weer in de boot te krijgen. 

Onder enthousiaste peddelzeilers die niet bang zijn voor een ruwe oversteek op zee is het zwaard dus niet populair. Patrick Forrester van Falcon Sails claimt dat slechts een op de vijftig klanten ook zwaarden monteren en dat veruit de meeste van die klanten hun zwaarden na enige tijd weer wegdoen. 
De ontwerpers van moderne, goede kajakzeiltjes die geschikt zijn voor groot water met flinke wind en golven waarbij het zeiltje niet in de weg zit tijdens het peddelen en waarmee je kan rollen, hebben natuurlijk al lang rekening gehouden met kajaks zonder zwaarden. Geloof je me niet? Probeer het eens. Je kan daarna altijd nog zwaarden monteren.


maandag 28 januari 2019

De ultieme koers: scherp aan de wind

Hier is het allemaal om te doen: scherp aan de wind varen, ofwel schuin tegen de wind in. Technisch gezien is dit pas echt peddelzeilen. Zie hiervoor ook mijn blog 'Zeilen voor dummies'. 

Hier een voorbeeld van iemand die voor het eerst peddelzeilt, aan-de-wind. Hij peddelt niet mee (durft hij niet?), maar dat doen meer ervaren peddelzeilers meestal wel. 


-------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Ik wil hier graag mijn eigen ervaringen en die van de Schotse peddelzeiler Douglas Wilcox delen met deze wat mysterieuze koers. 

Allereerst is duidelijk dat schuin tegen de wind in peddelzeilen, tot zo'n 35 graden, niet echt hard gaat zonder peddelen. Of je nou een licht briesje hebt of harde wind, je komt zonder peddelen zelden boven de vier kilometer per uur. Pas als je verder van de wind stuurt, loopt de snelheid zonder peddelen flink op. Dit is een groot verschil met zeiljachten die aan de wind wel wat harder kunnen. Oorzaak is vermoedelijk dat jachten een veel groter zeiloppervlak hebben, zelfs als je de grotere waterverplaatsing van een jacht meerekent. Het verschil is nog groter als een jacht ook nog een fok voert. 
Voor kajakzeilers aan de wind die toch wel acht kilometer per uur willen halen zit er dus niks anders op dan rustig meepeddelen. De boot gaat dan uiteraard sneller, maar de wind strijkt dan ook sneller langs het zeiltje wat extra lift creëert. Om dit te begrijpen is onderstaande plaatje verhelderend. De pijl is de windrichting.



Energie
Stel, de energie die de kajakker overbrengt op zijn peddel is telkens gelijk aan 10 Kilowatt/uur, wat een snelheid oplevert van, laten we zeggen, 5 kilometer per uur (zie links).
Vervolgens zet hij een zeiltje en stopt met peddelen (midden). De wind langs het zeiltje levert een schamele kracht van 4 Kilowatt/uur, wat een snelheid geeft van 2 kilometer per uur. Niet veel dus.
Dan besluit hij mee te peddelen, met precies dezelfde kracht als eerst; 10 Kilowatt/uur. De grap is nu dat de optelsom van deze peddelkracht en de kracht van het zeiltje niet klopt. De kracht van de peddel en het zeiltje tezamen is aanzienlijk groter (rechts). En de bootsnelheid dus ook. 
De reden is dat de zeilende kajakker met zijn peddelslag extra wind langs het zeil toevoegt. Zo levert het zeil aanzienlijk meer kilowatt/uur op dan dat het zeiltje op eigen kracht moet werken. Je zou ongetwijfeld hetzelfde effect zien op een zeiljacht als de bemanning mee zou roeien.  Hun inspanning zou ook dan meer snelheid opleveren dan dezelfde roeikracht zonder zeilen. Misschien een leuk idee om regatta's te organiseren waarbij naast het zeilen alle vormen van spierkracht zijn geoorloofd. 
Alle gekheid op een stokje, ik wil nog een experiment houden met een zeilboot met motor omdat een motor een veel constantere kracht levert dan een peddelaar. Hoe zou bovenstaande plaatje uitpakken met een motor in plaats van een peddel?

Zin
Een prangende vraag is natuurlijk of kajakzeilen zin heeft op een koers tegen de wind in. Uiteraard kun je niet pal tegen de wind in peddelzeilen. Het zeil zou wild gaan klapperen en niks meer opleveren, eerder tegenwerken. Maar wat als je schuin tegen de wind vaart en om de zoveel minuten de boot door de wind stuurt en de wind van de andere kant komt? Ben je al zigzaggend ('laverend') sneller of langzamer dan een gewone kajakker die recht tegen de wind opbokst?

De Schotse peddelzeiler Douglas Wilcox heeft dat een keer haarfijn uitgezocht met een gps-meting in een stevige tegenwind en zijn bevindingen gepubliceerd op zijn blog seakayakphoto.com. Hier zijn resultaat, met een zeiltje van Flat Earth:





De blauwe zigzaglijn is zijn werkelijke koers, met een snelheid van 6,7 kilometer per uur. De rechte rode lijn stelt een denkbeeldige kajakker voor zonder zeiltje. De tijd die Wilcox nodig had om zigzaggend van A naar B te komen, heeft hij als het ware geprojecteerd op zijn denkbeeldige collega. Hieruit concludeerde hij dat deze kajakker zonder zeil 5,1 kilometer per uur had moeten varen om gelijktijdig bij B aan te komen. 
Op deze manier kan iedereen voor zichzelf bepalen of hij sneller of langzamer is dan een peddelzeiler. Wie normaal gesproken met 5.1 kilometer tegen windkracht 4 kan opboksen, is net zo snel als de zigzaggende Wilcox.

Addertje
Er zit natuurlijk een addertje onder het gras. Wie zegt ons hoe hard Wilcox heeft gepeddeld en hoe hard de gewone kajakker heeft gepeddeld? Zo bezien zegt deze test niet zo veel. Maar duidelijk is wel, ook volgens mijn eigen ervaringen, dat je aan de wind peddelzeilend nooit zo'n mooie, consistente peddelslag hebt. Je moet met windstoten ook meer op je balans letten, achterwaarts roer geven, misschien wat steunen of uitleunen. We mogen er rustig vanuit gaan dat Wilcox minder hard voorwaarts heeft gepeddeld dan zijn imaginaire collega. In de praktijk is peddelzeilen tegen de wind in - al laverend - stukken minder vermoeiend dan tegen de wind in beuken zonder zeiltje! Je bent dus misschien niet eerder bij punt B, maar wel minder vermoeid. Bovendien is een Falcon-zeiltje naar mijn idee nog meer in het voordeel omdat dit zeiltje beter aan de wind komt, tot zo'n dertig graden.


Stroom en wind tegen


In de volgende situatie peddelzeilt Wilcox op de Solway. Op het moment dat hij naar de kant wil, heeft hij wind bijna tegen en de stroom werkt ook al niet mee. Toch komt hij al peddelzeilend thuis. Zijn gps-meting laat zien hoe.





Hij vaart links onderin het plaatje binnen. Bij A wil hij direct naar C. Dat is niet te doen: de zuid-zuid-oostelijke wind is net te scherp om met een Flat Earth-zeiltje tegenin te zeilen. Met een Falcon-zeiltje had het wellicht wel gekund. Hoe dan ook, de stroom komt vol in de zij waardoor Wilcox flink opzij zou zijn gezet en dus steeds meer aan de wind had moeten koersen om nog bij C uit te komen. Een gekmakende puzzel!

Hij besluit om eerst even op halve wind en pal tegen de stroom in naar B te varen. Met een lekkere halve wind kom je zeker tegen de stroom in. Bij B kan hij op 60 graden van de wind af naar C varen. Dat peddelzeilt prima. Bovendien komt de stroom nu enigszins schuin van achteren. Knap gedaan! 


De auto!
Zigzaggend tegen de wind in varen is niet sneller dan recht tegen de wind in peddelen maar het mooiste is natuurlijk dat een aan-de-windse koers over vele kilometers zonder laveren wel degelijk sneller gaat dan een gewone kajakker. En minder vermoeiend ook nog. Maar ja, op de een of andere manier hebben groepen kajakkers altijd de neiging om lange stukken recht tegen de wind in te willen. 'Daar staat de auto!, hoor ik dan. Nou ja zeg, had die dan een stukje van de wind af geparkeerd!
  

 

zondag 27 januari 2019

Reven: beter van niet

De wind waait stevig, dan hard en nog wat harder. De reflex van iedere zeiler is dan: reven! Reven wil zeggen dat het grote zeil wat kleiner wordt gemaakt. Dat gebeurt met vaste touwtjes in het zeil een stuk boven de giek, die normaal gesproken los bungelen. Met harde wind bindt de bemanning die touwtjes om de onderkant van het zeil en trekt de boel dan flink aan. Dit samengebonden zeil hangt op bruine-vlootschepen zoals tjalken en klippers los boven de dikke giek. Op moderne jachten gaan de touwtjes vaak ook om de giek heen zodat het gereefde zeil een geheel vormt met de giek.

En dan hebben we nog de fok. Die is met zware wind te vervangen door een kleinere fok (de stormfok) of een stukje op te rollen om de voorstag. Dat wil zeggen: de voorstag kan draaien en rolt de fok een stuk mee.

Met kajakzeilen hebben we de keus uit bovengenoemde manieren. Of je verkleint de onderkant van het zeil of de voorkant, direct achter de mast. Gezien het feit dat de meeste goede kajakzeiltjes een hoes hebben waar de mast in schuift, valt er weinig op te rollen met een draaiende mast of iets dergelijks. Een nog groter bezwaar tegen reven op die manier is dat het inkorten van de voorkant een groot verlies van het typische vliegtuigvleugelprofiel betekent. De belangrijke bolling van het zeil zit nou juist aan de voorkant, vlak achter de mast.

Blijft dus over reven aan de onderkant. Ik heb daar maanden geleden al eens diep over nagedacht, met een Falcon-zeiltje in gedachte. Zo kwam ik op een systeem om te reven vanuit de kuip, door aan slechts een lijntje te trekken. Geweldig!


De reeflijntjes zitten aan de ene kant vast aan de giek, lopen omhoog door het reefoogje en lopen dan weer naar beneden door een oogje op de giek (niet zichtbaar) waar zij samengesplitst worden met de centrale reeflijn die start vanaf het eerst reeflijntje (rechts) en dan alle reeflijntjes onderweg naar de kuip als het ware oppikt. De centrale reeflijn wordt belegd in een klemmetje op de giek. Trek deze lijn naar je toe en het zeil wordt over de hele breedte naar beneden getrokken in gelijke mate. Tenminste, als de hoogte van de reeflijntjes gelijk is aan de tussenafstand.

Enfin, dit ziet er mooi uit op een schermpje. En misschien werkt het ook nog, als je zo'n ineengefrommeld zeiltje niet lelijk vindt. En geen bezwaar hebt tegen permanente vouwen in je zeil.

Eenvoud
Het echte probleem is natuurlijk dat reven en de eenvoud van een echt goed kajakzeil niet zo goed samengaan. Het geeft toch een hoop extra lijntjes in het tuig en in platte toestand aan je dek. Lijntjes waar van alles achter kan blijven haken. Bovendien is het de vraag wat er nog overblijft van de aerodynamische eigenschappen van het zeil. Vergeet niet dat het zeil op een jacht of trotse klipper vele, vele malen groter is dan het lapje van 1 vierkante meter op een kajak. Een kajakzeiler die reeft, haalt een relatief enorm groot stuk van het zeil weg. Het zou zomaar kunnen dat zo'n mismaakt zeil meer hellende kracht oplevert dan voorwaartse kracht, terwijl je met harde wind juist niet op extra helling zit te wachten. 
Mijn advies over reven is daarom: beter van niet! Waait het harder dan jij aankan, gooi dan je zeiltje plat en peddel lekker verder.

PS Inmiddels heb ik toch geprobeerd een rolreefsysteem te maken voor de mast (zie post van 8 maart 2020). Ik ben er nog niet uit. Wordt vervolgd.







Over mij

Mijn naam is Berend Schilder. Sinds kort heb ik deze blog in de hoop dat meer Nederlanders gaan kajakzeilen. Het is een geweldige ervaring om een goed zeiltje te zetten op een kajak, maar ben je de enige in een groep dan vlieg je vooruit en ben je zo uit zicht van de anderen. Dat is onveilig. Dus moet ik vaak cirkeltjes varen om de groep heen, vooruit varen en weer terug of constant afremmen. 


Foto Tom Vooges


Het zou leuk zijn om een groepje te leren kennen van alleen kajakzeilers. Dus vooruit, laat wat van je horen als het je wat lijkt! Tot nu toe hebben sinds het bestaan van deze blog vanaf januari 2019 twee mensen aangegeven het ook te willen proberen. 
Ik zit sinds vier jaar in een kajak en ben lid van de Rotterdamse kanoclub Never Dry. Daarvoor vaarde ik met een museaal vrachtschip dat ik ook al eens onder zeil probeerde te brengen. Een krankzinnig project dat nooit echt van de grond is gekomen maar kennelijk de opmaat was voor het kajakzeilen dat ik nu wel doe.
Vorig jaar heb ik een power point presentatie gegeven over kajakzeilen. Die kan ik nog wel eens geven, bijvoorbeeld voor andere kanoclubs in Nederland. Laat maar weten.


Berend Schilder